AFNL-NOA: Beleidsmakers moeten lef tonen met aanpassing doorbetaling bij ziekte

Al jaren vragen ondernemers om aandacht voor de problemen van loondoorbetaling bij ziekte. Kleinere werkgevers laten weten dat zij niet of minder snel aan vaste contracten durven te beginnen; velen geven desgevraagd aan hoe nijpend een ziektegeval binnen het bedrijf is geweest. De discussie over hoe dit maatschappelijke vraagstuk kan worden opgelost lijkt muurvast te zitten – ondanks politieke beloften van de afgelopen jaren, aldus AFNL-NOA-voorzitter Sharon Gesthuizen in een Opinieartikel in het Financieele Dagblad. In Cobouw geeft bouwondernemer Dick Singerling vanuit de praktijk aan waar ondernemers tegenaan lopen door deze wet. Lees hier het artikel op Cobouw.

In Den Haag wordt stilletjes gewacht tot het bedrijfsleven zelf de hete kastanjes uit het vuur heeft gehaald
In 2015 leek de Tweede Kamer een doorbraak te willen forceren in de loondoorbetalingsproblematiek. Zonder aan de rechten van werknemers te willen knabbelen, vroeg de Kamer het kabinet met voorstellen voor een oplossing te komen, en wel nog voor de kerst van dat jaar. Sindsdien is er veel gepraat, onderzocht en gepolderd maar zonder concreet resultaat. Zelfs de afspraak in het regeerakkoord heeft nog altijd niet mogen baten, aldus Gesthuizen. Daarin staat dat doorbetaling bij ziekte voor kleinere bedrijven met 25 werknemers of minder wordt beperkt tot één jaar. Dit moet werkgevers stimuleren om sneller mensen in vaste dienst te nemen. Intussen wordt in Den Haag stilletjes gewacht tot het bedrijfsleven zelf de hete kastanjes uit het vuur heeft gehaald. Een discussie over loondoorbetaling gaat vaak over bijzaken en niet over het echte zorgpunt: het almaar afnemende aantal vaste contracten en de angst van werkgevers om zich langdurig te binden aan een werknemer. Het is te gemakkelijk om naar werkgevers te wijzen en te roepen dat zij hun koudwatervrees maar moeten overwinnen. Ondernemers willen geen te grote risico’s nemen: per slot draagt een werkgever de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van haar of zijn bedrijf en daarmee voor werkgelegenheid. De erkenning dat werkgevers weliswaar aantoonbaar hun best moeten doen om ziekte te voorkomen, maar absoluut niet de enige factor zijn in een situatie van ziekte, maakt dat de vraag overduidelijk ook op het bord van de beleidsmakers thuishoort. Zonder hun lef om verantwoordelijkheid te nemen zal deze discussie zich voort blijven slepen, aldus de AFNL-NOA-voorzitter.

Collectiviseren risico’s
Een oplossing wordt gezocht in het collectiviseren van risico’s, kosten en verantwoordelijkheden voor re-integratie. De voorwaarden waaraan oplossingen zullen moeten voldoen zijn van werkgeverszijde niet al te ingewikkeld.

Veel kleinere en middelgrote werkgevers vinden het belangrijk dat een nieuwe regeling wordt uitgevoerd door een onafhankelijke instantie, waar sectorale accountmanagers goed zicht houden op ontwikkelingen en voor maatwerk zorgen. Zij vragen om een transparante premieopbouw, waarbij de premie uniform is voor het eerste en tweede ziektejaar, en bij voorkeur inclusief de eerste drie maanden loondoorbetaling door de werkgever.

Veel ondernemers in het midden- en kleinbedrijf willen van een dergelijke regeling gebruikmaken. Maar het eigenrisicodragerschap, waarbij de werkgever in ruil voor een lagere premie verantwoordelijk blijft voor de ziektewetuitkering, moet mogelijk blijven.

Een werknemersbijdrage is niet haalbaar en daarmee ook niet wenselijk. En omdat het kabinet in haar regeerakkoord geld heeft gereserveerd voor een aanpassing, kan een overheidsbijdrage helpen de kosten voor werkgevers te beperken. Werkgevers zijn, tot slot, beducht voor toekomstige premieontwikkeling; ze willen duidelijkheid over de ontwikkeling – ook voor de gevallen waarin ze onverhoopt met langdurig ziekteverzuim worden geconfronteerd.

Niet de hoofdprijs betalen
De politiek hoopt op afspraken tussen werkgevers, werknemers en private verzekeraars. Zonder wettelijk haakje zijn afspraken die werkgeversorganisaties maken met private verzekeraars echter niet zonder risico, aldus Gesthuizen. Want hoewel wordt gerekend op de efficiëntie van verzekeraars voor schadelastbeperking, blijkt die tot dusver niet uit onderzoek, aldus het Centraal Planbureau in 2015. Om te voorkomen dat werkgevers straks alsnog de hoofdprijs gaan betalen, zijn afspraken over premiestijging nodig: eerst voor drie jaar, daarna iedere vijf jaar. De overheid moet daarbij een oogje in het zeil houden. Zo’n haakje moet dus een plek krijgen in een definitief plan. Komt dat er niet, dan kunnen werkgevers zich niet verzekeren, blijft de situatie zoals zij is en trekken werknemers die vurig een vast contract wensen aan het kortste eind.

3 augustus 2018

EDI logo